SemutcetetFilmpjesFoto'sIslamVerhalenGedichtenLinks
www.semutcetet.com
Verhalen


15 juli 2009

HERINNERING AAN VROEGER.

 

 

Vader kwam heel laat thuis, ik hoorde de voordeur kraken toen hij binnenkwam. Het moest ongeveer om elf of twaalf uur nachts zijn geweest. Er moest wel iets bijzonders gebeurd zijn die middag, alleen wist ik niet wat. Pas de volgende morgen zou ik daarover iets van kunnen horen. Ik viel meteen weer in slaap en sliep door tot de volgende morgen.

 

De volgende morgen was moeder al bezig in de keuken het eten klaar te maken, het zou wel cassave of bananen kunnen zijn met zoutvis of het zou wel eens rijst met vis kunnen zijn. Zover kan me niet meer herinneren, maar wij aten niet zo vaak brood dus zal het wel dat eten kunnen zijn. Een kan met thee en suiker was er altijd.

 

Na de tanden gepoetst te hebben was het zeker wel dat ik op de trap op de noordkant ging zitten met uitzicht op de cashew bomen op het erf en een groepje parwa bomen bij het water.  Eén van de cashew bomen  droeg een bijzonder verhaal met zich mee in het verleden. Hopelijk krijgen jullie lezers, het verhaal in de toekomst te lezen op deze site.

 

Het moest een dag zijn zoals al de andere zaterdagen, zondagen of het kon ook wel een schooldag zijn waar ik me misschien haastte met het eten om op tijd op school te zijn. Het was al zo lang terug, maar wat ik wel nog van weet is dat vader die avond tot laat in de nacht  met de politie was. Niet dat hij iets uitgehaald had waar hij daarvoor moest worden aangehouden of verhoord moest worden. Nee!

Hij moest de politie helpen, omdat er iemand was die zichzelf had opgehangen. Die vrouw werd pas laat ontdekt en haar lichaam verkeerde al  in een staat van ontbinding. Een vrouw van de buurt zocht haar thuis op riep haar naam een paar keer. Toen ze niet antwoordde gluurde zij door de paar gaatjes in haar huis. Ze kreeg de schrik van haar leven toen zij het levensloze lichaam van de vrouw aan het touw zag bengelen. Zij waarschuwde de mensen in de buurt, de lurah (dorpshoofd) en andere mensen in het dorp kwamen ook te weten. De politie en een dokter moest van ver komen en dus werd het pas laat alvorens zij arriveerden. Ook een doodskist moest toen ook nog worden gebracht. Het was al donker toen het lichaam van het touw  moest worden weggehaald.

 

Vader werd geroepen om de politie te helpen het lichaam in de kist te plaatsen maar ook daarna met de begrafenis. Het moest zeker een akelig gezicht zijn..Vader bracht de kist schuin naar achteren onder de voeten van vrouw, zodat wanneer het touw werd doorgesneden het lijk met de rug in de kist kwam te liggen. Omdat het donker was moest er iemand met een zaklantaarn op het touw schijnen dat af en toe op het gezicht van de dode vrouw viel. Dat het geen prachtig gezicht was om te zien zult u allen wel begrijpen.

Het blijf gegrift in het netvlies.

Heel laat werd het lijk naar de begraafplaats gedragen om begraven te worden.  Na dat alles ging iedereen terug naar huis. Vader nam een bad in de kreek bij de weg om al het geur en vuil weg te wassen. Hij zeepte zich flink in en ging een paar keer onder water. Na die bad ging hij het huis binnen. Hij kon niet eten, dus dronk hij maar een kopje thee. Die nacht kreeg hij geen oog dicht.  

 

Zijn verhaal kreeg ik pas van hem te horen toen ik bijna volwassen was. Dat als hij een duik nam in de kreek met gesloten ogen hij het dode gezicht van de vrouw zag. Ook als hij wilde slapen en de ogen probeerde te sluiten. En dan de geur, die leek alsof het niet weg wilde.



22 februari 2006
 

UNU PRANASI

 

Na ini unu pranasi, en a ten di den aleysi miri ben drai ete

Di den sroisi ben opo nanga tapu fu so meni leysi in wan dey

Pe ini a winkri fu omu Bert yu musu fu wakti den sma san de na yu fesi

Tak ptying so moro fara mbah Oesrek net a tek wan winkri abra

Na Bruinendaal omu Djinoe ini en winkri ey seri

Wan nai, ayung nanga sowtu kon miti gowtu keti nanga dalla

 

Pe ala sey fu den pasi krin, de ben prani

kaw ey kari, krabita ey bari, kaka fowru ey hari

fowru ey saka den eksi

fisi ey hari noso den fasi

Den doksi krakeri

Ma no fergiti

Berpé ey kari

 

Mama Tone ey waka nanga en wan sey udu futu ete

pak  Matali ey kari.

“Prow Toné san waka  so, son faya toh”

Mama Toné smile, “Pa, mi go eve na winkri”

 

Manya bon ben de ala sey, kronto bon ey wai

Den ptyin ben plak nanga slijp den bambu

Den wan du leki papa Dawir

 

En bigi frigi ey bari na logtu sey

Aleysi gron ben grun, noso geri den de so moi

Redi borsu nanga ger hede saka drape,

so furu den de, de piki den nya-nyang sondro frede

 

Pe a steiger ben lai, nanga libi sma san ey go nanga kon

Kisi nanga saka, furu nanga fisi

chinesi taya nanga blawkop

Kapten Lo a Nyu nanga den wrokoman, den habi fu wroko fu tyari lai go na foto

 

Ptying boto ey gwe,

Mi syi baas Bodi nanga den man

Pak Marto nanga den brada fu en

Den go na sekanti nanga Breda

noso Tapoeroepa

 

A no de so fara fu now un Buinendaal nanga Bakki

un gron fu prey nanga prisiri

drape

na wan pisi fu unu switi libi

 

 

15-11-2005

 

EEN OUD HUISJE IN DE GEUR VAN MELATI

 

Opa zat rustig op zijn balkonnetje voor zich uit te staren.

 

De bladeren van de dwerg-kokos bomen rondom het huis ruisten in de wind. Ergens riepen twee grietjebie's.

 

Manjabomen, (mangobomen) de roodborstjes en tetey's droegen vruchten die de takken onder het gewicht heel diep deden buigen. Alleen aan de twee cayana's bij het water hingen een paar dit jaar. De melatie-struik midden op het erf zag er helemaal wit uit. Elke donderdag middag plukte hij daar op zijn gemak enkele bloemetjes. Hij zette dit in een glas met water op een tafeltje in een speciale kamer.

 

Dan smeekte hij ongestoord zijn zegeningen. Een gebruik dat hij nooit oversloeg. Nog geen tien jaar geleden rond deze tijd het jaar stond zijn sawah helemaal groen. Dat lag een meter of zes van het huis verwijderd. Door zijn hoge leeftijd kon hij het werk niet meer aan. Daarom zag zijn perceel er zo verwaarloosd uit en werd het water dat nergens heen kon stromen een ware broedplaats voor muskieten. Misschien daardoor stonden de ramen heel vaak dicht. Het donker, binnen in het huis waar hij en zijn vrouw naar de nachtinsecten brulkikkers of hun favoriete radioprogramma luisterden, werd overdag met rust gelaten.

 

Op de klei voor en onder het balkonnetje speelde het leven, vanaf de eerste zonnestralen tot het rood tussen de bomen in het westen. Het golfplaten dak verlengde zijn gastvrije woning.

 

Door de schaduwen van de bomen rondom het huis bleef het daar lang koel tot in de late morgen uren. In de verte stond een metershoge kokosboom. Aan de weinige bladeren hingen de langwerpige nesten van de banabekie's. Daar stond eens het huis van een djaji een broer, die hij samen op hetzelfde schip zat op weg naar het nieuwe vaderland. Het tropisch groen eiste het terrein weer op sinds deze broer tot zijn Heer werd geroepen. De nesten waaiden met de wind heen en weer. Twee banabeki's vlogen af en aan. Beurtelings glipten de vogels in en uit. Maar, zou de onbeweeglijkheid van mbah te maken hebben met de bedrijvigheid rondom hem heen. Of zou hij misschien aan iets anders gedacht hebben? Een jonge kip, net een ei gelegd, sprong uit haar nest van droge bananenbladeren.

 

Meteen daarna begon het beestje te kakelen. Alle andere kippen onder het zinken dak lieten zich niet onbetuigd.

 

Het was ongelooflijk. Het leek alsof de beesten er op uit waren om de rust van de man te verstoren, of om hem te treiteren. Hij bleef echter rustig op zijn stoel zitten. Zijn vrouw, even oud en grijs kwam uit de keuken tevoorschijn. Ze droeg een pot bij zich, gevuld met anderhalf gelebek blikje rijst. Dat boterblikje was haar maatbeker. Oma nam water uit een van de metalen regentonnen met een half kalebasje dat haar man jaren geleden voor haar op maat had gesneden.

 

 

 

Daar, aan de voet van de regentonnen waste ze de rijst.

 

Kleine doksen en eendjes vochten om het beetje gruis dat met het water wegvloeide wanneer ze het witte water liet wegstromen.

Ze deed schoon water in de pot en herhaalde het wassen.

Een eendenkuiken probeerde zijn kop in de pot te steken. Zover kwam het echter niet, want de vrouw gaf hem een mep op zijn kop.

 

Ze stond weer op en ging de keuken binnen. Aan de buitenkant zag de pot er zwart uit door het roet. Hoe kon het anders; ze stookte op hout. De jongeren in het dorp gebruikte petroleumstoofjes of een kooktoestel op gas. Op hout kon ze het nog opbrengen, misschien was het ook zelf veiliger. Hout was er in overvloed. Niet veel later stond ze voor haar keukendeur. Ze bleef voor zich uitkijken. Onder het dakje voor het balkonnetje was het nog steeds niet rustig. De vrouw wendde haar hoofd af en keek precies in de nek van haar man. Ze was woedend. Haar schouders voelden moe aan door het kijken naar hem. Opa bewoog zijn rechterhand. Het was alsof hij de ogen van zijn vrouw in zijn nek voelde. Zijn hoofd bewoog. Probeerde hij iets? Hij dronk zijn reclameglas met thee in één teug leeg. Daarna ging hij lui in zijn stoel zitten. De kippen bleven maar kakelen. Onbegrijpelijk en boos schudde zijn vrouw het hoofd. De man zat daar rustig in zijn stoel. In één keer zou je hem op een foto kunnen vereeuwigen.

 

De situatie was er geknipt voor. Maar ja, er was geen fotograaf. Weer schudde de vrouw haar hoofd. Waarom keek ze zo zuur ... Wist ze niet wat ze moest klaarmaken? Wat ze bij de groente, chinese tayer en al die andere dingen moest doen? In de keuken in een mandje hing droge vis en kleine zoute visjes. Voor het huis had ze niets gevangen.

 

's Morgens heel vroeg had ze reeds in de maswa gekeken, maar in de val zat een groot gat.  Ze kon het allemaal niet meer volhouden. "Jaag de kippen toch weg ! Hoe kan je dat allemaal aanhoren?" Ze stopte even. "Dat kakelen elke dag! En jij zit alleen maar op je ouwe gat. Wacht maar, ik verkoop ze allemaal ook de eenden inbegrepen. Wacht maar als er een handelaar langs kom. Overal kippestront. Jaag ze toch weg." De vrouw zei dat allemaal heel luid. De kippen kakelden steeds luider en luider.

 

Ik stond onder de twee cayana bomen dicht bij het water met in mijn rechterhand een hengel, de dobber nog boven water. Er was geen spoor van vis. Ik hoorde en zag bijna alles van wat er in de directe omgeving van de man plaatsvond. Maar ik wist niet dat ik getuige zou worden van iets.

 

De oude man inhaleerde heel diep uit zijn shagje. Zijn vrouw gaf hem alle schuld van wat daar mis ging. Het leek alsof dit de aanleiding gaf voor wat er daarna ging gebeuren.

 

De kippen, de man en zijn vrouw. Ineens kreeg de man een hoestbui. Ik kreeg medelijden met hem. Een jonge haan wou de kip, de aanstichter bespringen, precies onder het dakje. De jonge haan werd door de oude met zijn lange scherpe sporen afgestraft. Natuurlijk begon de kip weer te kakelen. De vrouw begon ook weer.

 

Opa schreeuwde en sprak grof. "Ik vermoord je!" "Oh nee, doe dat niet," zei ik halfluid. De tabaksdoos trof doel. Ik hoorde geen kreet. De kippen stoven uiteen.

 

Ik was geschrokken en blij. De jonge haan spartelde op de grond. Ik weet niet of opa de juiste had getroffen. Diezelfde morgen nog hoorde ik deze jonge haan zijn kraaien uitproberen. Opa stond kwiek op. Misschien zelfs triomfantelijk. Hij had een scherp mes bij de hand alsof hij dit allang had klaarliggen. Hij ging de trap af en liep naar de jonge haan toe die nog bewoog. Hij pakte het beest op, prevelde een paar woorden en sneed met het mes in de hals. Het bloed vloeide weg. Zijn vrouw vulde een pot met water. Ze moest heet water hebben om de haan van zijn veren te ontdoen.

 

Ik stond nog steeds bij de twee bomen.

Mijn dobber verdween tussen de waterplanten.

 

uitgegeven april 1995 Wesisan / Ineens Mas Janur

 

 

 

NIEUW VERHAAL 05-09-05

 

NING LATAR

 

wong lanang karo wong wadon ning latare awake dewe

 

bapak di bagekne

 

dewekne, ning ngarep lawang

 

ibu gelis gelis mlebu

 

cerete ning pawon di genenni kayu

 

keluke menduwur

 

“mlebet pak, mlebet ‘bu', suwarane bapak mau

 

ibu teng pundi?', wong wadon mau takon

 

ibu metungul

 

pada mbagekhake karo ngguyu wilujeng kene wilujeng kana

 

sing di omongake, waras karo anake

 

ora suwe mau, ibu balik ning pawon

 

ibu ora oleh repot repot

 

wus ngombe, jarene wong wadon mau

 

omahe awake dewe nommer lima

 

ming ibu ora suwe wus nggawa teh panas ning cingkir

 

gedang goreng semu kuning ning wadah

 

wong lanang mau banjur ngomong,

 

mandek lan ngomong,  ngomong cara bhasa

 

'bapak, ibu yen Gusti Allah maringi wilujeng kula bade gadah damel.

 

wonge mandek sedelok

 

banjur ngomong maneh

 

'yogoh kula esteri, kula bade ningkahaken

 

yogoh kulo jaler kula bade supiti

 

bapak lan ibu kula suwun anyekseni.

 

bapak kulo suwun ngrencangi ndamel tratak

 

enggih ibu, kula suwun ngrincangi nyambut damel wonten ing ndapur'.

 

dinane sasine karo jame di omonhake

 

Aku ndelik nguping omongan mau, bungah ora njamak

 

mikir wong nduwe gawih mau

 

karo panganan sak akehe, geguyonan barang.  Ana tayub

 

jenenge ledeke di omonghake, karo sangka ndi

 

ming, ora dewekne dewe karo bojonone sing enggone awake dewe

 

ning kana ndesa ya eneng ludruk, ya ande ande lumut ya wayang barang

 

nek wayah dina kaya mangkono

 

mas cina, mas londoh karo sak mas masih pada di enggo

 

bapak bapak saline jan apik apik banget

 

wong tuwa tuwa lanang katoke komprang

 

wengi mau sangka adoh was krungu gamelane

 

lintange pating kerlip rembulane ngenteni waya isuk

 

sembarang ketok apik banget,  mantene pada isin

 

isik pada nom

 

wong pirang pirang sangka ndesa sak pinggirane

 

karo sangka kiblat sekawan

 

sing sunat oleh sumbangan sangka kanca kancane

 

nek dong ana loro jejer jejer ning krossi duwur

 

wong wong pada mangan karo ngombe, pada ngguyu njoget lan main

 

gamelane mandek, main mandek, main sewengi suwene

 

rembulane medun, awake krasa gelem mule, turu

 

oh ya kok akeh wong nduwe gawih oh ya kok akeh sukak sukak

 

akeh wong nduwe gawe, awake dewe sing nyekseni

 

enggone omahe awake dewe ora tau nduwe gawe

 

 

pirang pirang tahun kepungkur ibu ninggal, ora ning ndesa mau

 

sing meh kottong

 

latare temekan dalane kebak wong, pada melu mau anyekseni dinane leh bali

 

ning ngarepe Gusti Allah.

 

 

OP HET ERF

 

man en vrouw

 

ze verschenen op ons erf,  ze groetten vader.

 

hij stond voor de deur

 

moeder haastte zich ongezien, een pot met water op houten vuur

 

de rook steeg op

 

"komt u binnen heer komt u binnen vrouw", klonk vaders stem

 

"waar is ibune?", vroeg de vrouw

 

ibu verscheen ineens

 

ze keken elkaar lachend aan wilujeng over en weer

 

ter sprake kwamen de wederzijdse gezondheid en de kinderen

 

een poosje later

 

moeder ging weer, de vrouw begreep

 

ze bedankte, net hadden ze gedronken had ze verteld

 

hierwas het hun vijfde huis

 

toch kwam even later dampende thee in de cingkir

 

met gebakken banaan, goudgeel lag het op de schaal

 

de man sprak, stopte en sprak veranderd was zijn toon en taal

 

"u heer en u mevrouw, als de Allerhoogste het wil

 

en als Hij ons weg verbreedt vraag ik u mij bij te staan", hij stopte even en

 

vervolgde verder

 

"mijn dochter die trouwen zal mijn zoon die besneden wordt, kom bij ons en wees getuige van ons feest

 

de tratak zal gebouwd worden

 

samen met uw kracht.

 

en mevrouw, met uw hulp zal het eten bereid worden",

 

de dag, de maand en het uur zei hij ook

 

de luistervink, goed verscholen denkend aan zo'n feest

 

aan al het eten en de lachende kinderen

 

er is tayub, de ledek, ze wordt genoemd

 

eveneens haar woonplaats

 

maar niet hij alleen en zijn vrouw kwamen bij ons

 

soms was het ludruk, ande ande lumut dan weer wayang

 

gouden sieraden werden er gedragen, de mooiste jarik en blouses schitterden

 

vaders trokken hun beste pakken aan

 

de oude mannen in katok komprang

 

op zo'n avond klonk reeds in de verte de gamelan

 

de sterren fonkelden

 

de maan wacht op haar ochtend uur

 

op het feest schitterde alles

 

de manten, ze waren verlegen

 

ze waren zo jong

 

vele gezichten uit de nabije dorpen en de vier windstreken

 

de besnedene kreeg van ons jongens, wat toegestopt

 

soms waren er twee tegelijk

 

ze zaten met de benen gestrekt op hoge stoelen

 

er werd gegeten, gedronken en gelachen, de dans werd opgevoerd.

 

de gamelan stopte en speelde stopte en speelde

 

de ganze nacht door

 

tot wij zagen, de maan klauterend zeer traag omlaag

 

wij voelden ons het huis, 'de amben' roepen

 

wat een tijden waren het daar

 

en hadden wij er nachten van gemaakt, er was altijd feest

 

dat feest, zelf kende ons huis dat niet

 

 

vele vele jaren later

 

toen ibu stierf, niet op ndesa dat leeg liep

 

was het erf en de straat vol mensen om te getuigen

 

dat ze werd geroepen tot haar Enige Heer.

 

 

 

eerder verschenen bij het surinaams tijdschrift Mutyama 2 november 1990 (bewerkte versie)

 

NIEUW VERHAAL : 25-07-05

 

Mosquito Town (kota lemut) desa ku (uit wesisan/ineens ... dongengan. Mas Janur 1995)

 

Biyen leh pada teka dina jemuah.kas kas, koper koper kebak banget. Sok uga karo sipine lanti awake dewe apa nyewa, apa menawa duweke dewe. Lungane minggu. Bocah lanang gede numpak sepedah bengok bengok sak kuwate jarene. "Pada ndelok pada ndelok. Akeh gelute akeh aksine". Wong kabeh pada dunung. Dina iku awake dewe isk penekan wit, ya ning prau apa clibon. "Mbag ya mbag ya, mbag budal". Sapa cah lanange, iku wis ora lali. napine golek dluwang sing di sebarhake bocah numpak sepedah iku mau. di gwa mulih di duduhake maké karo ngringik ngejak budal. Napiné maké sok wega ngrungokhake. Bocah apa ngerti duwe duwit apa ora? Nek sak omah pada budal, awake dewe bocah lanang lanang pada golek kayu. Pemehane resik. Jepete pemehan morat marit. "Sisuk kena di goleki"jarene kae. Ember loro kiwa tengen sangka peti mburi. Wah adohe.

 

Baril gedih sepotong di iseni. Pitike, bebeke karo mentoge pada di giring. Pada njengkelhake banget. Sapine di gawekhake geni ngiseni lenga lampu.

 

Ning kandang ri-rine pada di dehkek sing apik. bengi akeh lawa. dimare sentir pada di sulet. Ndang ndang adus. nek awake dewe pada budal budale karo bulan anyar. bulan gedih barang ya? Tau budal peteng petengan nggawa bambula. Seksine lintang lintang kae. Dalane mbletok apa atos sikile ora sepaton. Unine orong orong, unine jangkrik bengi, unine kodog konange pating kerlip. Toronge karo lihmotore suwarane banter banget di gondol angin.

 

Atusan lemute, ngerti ngerti nek tangane pating jleret karo getihe dewe. Pada kepetukan liya liyane. Ora wani noleh ning sebelah tengen, kramatane menawa mung patang meter adohe. Rumangsane godong obah, watu watu karo kayu kayu pada obah. Awake dewe wis cedak karo omahe bintang bintang mau sing di adusi dimar pirang pirang. Perlu ngabra wot loro sikik sing arep di liwati wong pirang pirang. Warung akeh, panganan akeh garek milih nek kantonge kandel. kok bisa nggambar ya? Karo waca tulisan. Pada tuku girék, wong gedih bocah cilik. Nek dimar pet, nek wis muter kabeh ceklakep.... Temekan eneng aksi.

 

Akeh komentar, suwara nyukurhake karo melashake. Ora saben minggu philem rusak, napine nek rusak kabeh wong rame ning petengan. "Duwit bali, duwite balekne. "Sing tukang muter di salahake. Bocah bocah pada ngrungokhake suwarene bapake bebarengan karo bapak bapak. Ngerti sak siji sijine. Bisa nggawe bungahe atine wong sak ndesa tontonan iku mau. Aduh ya, kabeh wong pada kerasa wengine sing kélangan. ora eneng sing nduwe salah lihmotore karo mesine sing di gawe muter kobong. Bungahe wong ora eneng sing keslomot apa gegawa.

 

MOSQUITO TOWN (kota lemut) mijn dessa.

 

ze kwamen op vrijdag. Kisten en koffers vol. Met de boot, onze rivierboot, een eigen vaartuigje of gehuurd. Ze bleven tot zondag. Een grote jongen op een fiets strooide pamfletten. Hij schreeuwde zo hard hij kon. Kom dit zien kom dit zien. Actie als nooit tevoren. Zei hij dat werkelijk? Gevecht als erwten... Een ieder begreep, Het wordt spannend."Op zo'n dag zaten wij in een boom, in ons korjaaltje of in het water. Hoopten wij van harte dat ons huis wel gaat. Wie de 'Starring' was hadden wij al onthouden. Toch liepen wij in het hoog gras of speuren wij over de weg naarpamfletjes. Die namen wij mee naar huis om te zeuren aan moeders oor. Maar soms, ze was niet te vermurwen. Welk kind kende de zorgen om geld? Mocht het huis toch gaan, dan hadden wij jongens hout gesprokkeld. Snel de waslijn kaal geplukt. Waspennen vlogen aan alle kanten. Een zorg voor later. Aan elk hand een volle emmer uit de put achterop. Heel ver!.

 

Wij vulden de grote ton halfvol. Kippen en eenden in de hokken geleid. Wat waren het vervelende 'beesten'. Dan was er vuur voor de koeien en vulden wij de olielampen.

 

De doorns, boven in de stal op hun plaats gezet. 'S nachts waren vleermuizen, de vampieren, actief. Dan werd het lampje aangestoken en waren wij als eersten in bad. Als wij gingen, gingen wij met de nieuwe maan. Of blootsvoets zonder te klagen. Het sjirpen van de nachtkrekels, het kwaken van de kikkers en lichtjes van vuurvliegjes. Door de trechtervormige luidspreker klonk het lied heel luid. Samen met de lichtmotor meegevoerd door de wind.

 

Zoveel honderden muskieten voelden wij pas al wij keken, onze handpalmen onder bloedstrepen. Wij kwamen anderen tegen. Wij durfden niet te kijken rechts van ons. De begraafplaats slechts een meter of vier van ons vandaan. Het leek alsof bladeren leefden, de stenen en het hout. Wij zagen zoveel peren zoveel licht uitstralen. Eerst de twee bruggen met al die mensen innemen. Zoveel eettentjes, hapjes naar keuze zelf te bekostigen. Verwonderd keken wij naar de mooie tekeningen aan de wand. Ook de teksten niet overgeslagen. Volwassenen en kinderkaartjes gekocht, wij zochten een plekje.

 

Goedkeuring, afkeuring. Ze volgden elkaar op in snel tempo. Niet elke week ging het stuk, maar als dat toch gebeurde klonken de stemmen in het donker. “Geld terug. Geef ons geld terug. “De opersator kreeg de volle laag. Wij herkenden vaders stem tussen al de andere stemmen. Toch genoten wij van ons bioscoopje. Niemand was schuldig aan het verlies, toen de lichtmotor de projector meenam. Gelukkig, niemand raakte gewond of ging mee in het vuur.

 

ONZE SLUISWACHTER. (19 APRIL 2005)

 

Baba Lakhwa , een oude donkere hindustaanse man was de sluiswachter op Pardo oftewel Bruinendaal.           

 

Pa Lakhwa liep altijd met een hengel als hij de sluis moest opendoen. Als hij voorbij ons huis kwam riep hij vaak mijn moeder,  Li seni boi kon teki fisi.. Bori ya. Dan ging ik of mijn broertje naar hem toe om de vis op te halen. Moeder weet dan hij een paar uur later even langs zou komen. Dan kreeg hij ook een deel van de vis. Gebakken, op massala of gewoon pepre watra. Het hangt dan meestal af van wat voor vis hij gevangen had. Maar meestal was het van die grote patakka die hij wist te vangen. Bij bitawiri of kangkung, dat kan wel goed smaken. Gelukkig was dat niet alledaags, anders miste ik de iwak garing die vader op sekanti gevangen en gebarbakot had. baba Lakhwa rookte altijd een sigaret met menthol, snowflake. Een keertje had hij de sluis te lang laten openstaan waardoor het water in de kreek voor ons huis maar tot ons middel reikte. Mijn buurjongen en ik waren gelijk het water ingegaan om met de handen vis te vangen. Sommigen zeiden dat hij het niet was, omdat hij die dag op Constantia zat. Een dorp even verderop. Dat weten wij niet precies, maar wel dat onze korjaal halfvol was met verschillende soort vis. Toen ik in de stad ging wonen zag ik hem alleen maar in de vakantie. Eens in het jaar.

 

Op een dag toen ik weer eens thuiskwam met vakantie vroeg ik mijn ouders waar baba Lakhwa was. Pa Lakhwa was al bijna een jaar overleden. Dood gevonden op de weg van Constantia naar Pardo.  Zelfs voor mijn oma had ik niet zoveel tranen als voor deze bekende, een stem en een beeld dat weg is voor altijd.

 

De sluis staat er nog, maar er is geen ander  sluiswachter nodig, want de kreek slibt dicht. (zie elders, een foto van twee jongens met een korjaal .. 38 jaar geleden).

 

Mas Janur (18 april 2005)

 

NO KIRI NEKS

 

A ben de wan mantin yuru, di mi koiri na mi mati let na mi oso sey. Den ben de bezig ete fu nyang, den kari mi ma mi ney kon na den. Fu a manten dati mi ben nyang keba. Baka aleysi. Wel san de na ini? Ayung, ptying so knofroku pepre nanga trasi. Yu baka den san disi dan yu ey drai na aleysi na ini, that's all. Wan bigi kan thee nanga sukru na ini. Mi tek mi windbuks dan mi go a waka. So mi wakti tap na broki en mi prey prey nanga mi futu na ini a watra. No wan kepantyi, noso wa tra fowru ben de fu yere efu fu syi. di mi ferferi mi srefi dan mi go na bigi dan go luku efu drape tyon tyon de san ey lobi fu sidon tap wan taki. Tyong tyong no de. Mi waka go na sroisi sey, drape mi syi fa den fisi ey prey na ini a watra. Ma mi sabi dat a winsi yu ey trowe yu uku drape den no sa ey nyang bika a watra krin tumsi. Yu kan syi den baka fu den fisi,  bigi trapun. mi teri neygi stuks. Mi prakseri dat moro lati  mi sa ey suku krobia en dan bakana yuru mi ow uku. Want dyaso mi fanga wan lo keba, dati mi ben prakseri. Ptying so later mi go na mi mati,. En nanga en neef den ben de na gradi ey luku fa mi ey waka kon. Yu fanga Man? No mek taki. A momenti dati wa bun ptying fowru ey frey kon tap na wan fu den taki fu wan bon. Mi noiti mi sabi a Sranan nen fu a bon disi, ma Jampanesi sma ey kari en Wit Turi. No a no so yu mus leysi en. no druk en! Ewit, no leys ing bakra fasi. Aksi yu jampanesi burman efu burvrouw fu kar a neng dyi yu. Mi sa leg eve uit. wan bon san ey dyi rose witi brumtyi, di ey habi wan sortu langa nyang dat if den yongu ete den jersi kowsbanti. Den brumtyi yu kan nyan en leki gruntu. Te yu ey mek pitjil yu kan moksi en nanga tra tra gruntu. Wakti te ye aksi, san na wit turi, aksi wan moro owru jampanesi. No aksi den yong wan. A fowru wan Tritik, manuk Tritik dat ooktu mi no ooktu fa yu ey karing na ini Sranan tongo. Maar a fowru ptyin lek wan kolibri. Oke, mi ferferi mi srefi en dan mi biging sutu tap na ptying fowru dati. bijna tien twaalf leysi mi sutu, ma mi misi nomo nomo. A neef fu mi mati aksi mi, tap san mi ey sutu. Want en srefi no syi neks san de tap a bon. Dus en kon luku. A luku dan ey luku, ma a no mang syi a fowru. Yongu a sani dat yu no mang tyisi? dan a man biging dyaf. Wa lai, dan a fowru g'wa gron. Eh e, a fotoboi disi a wan prey scherpschutter dyi mi prakseri. Mi nanga mi bigi mofo. Mi taigi en, te ye tyisi a fowru nanga wan lai mi ow beti a bille fu a fowru puru. Wel! wan schot fu a boi meki a fowru fadon go na gron leki wa siri kemopo fu wan mahoni froktu te winti tyari. so likti a fowru de. Prakseri en in slowmotion fa a dede fowru fadon, precies let na fesi mi futu. Precies drape, ai! A waarheid drape now! oke dan nyan a bille fu a fowru no, nomo a neef fu mi mati taki. Mi pityi en taki no, no no ey nyam en. Dan mi ow sutu yu efu yu ney nyang a bille fu a fowru, a boi taki. Dan ye sutu toch,  yu no mu denki dati mi ow nyang wan lala fowru bille. Wel dan, a boi now ben habi ete wan lai na ini a windbuks. Ma te nanga now mi no sabi fa du kon plotseling di a man ben wan puru kaka, dan a buks bari 'bekssh'. Mi firi tak wan sani teki mi links borsu, a boro mi jakti. No wan brudu no komopo so mi denki dat a no go na ini. "eh, mi sut yu no?"  Now en kon inspekteer a tori. "Yongu man, mi sut yu yongu". "Ai yu sut mi", mi pityi en". Wel now en tante a ma fu mi mati. go bari a boi. "Yu sabi dat datra no de dyaso toch ye mek den sani disi." Werkelijk now a bigi probleem doro, pe wo feni datra, oppie sref no de dyaso. Go na 'Lobangi' go suku datra drape. Post Constantia, ma wi ey kari a presi Lobangi a de moro fara. Yu pesa Constantia san de abra sey fu Alliance. A tante fu boi gyi wan twintig golu fu pai datra kosten. Dus unu teki wan baisigri, wa paka paka wan. Mi sidon na bakasey en a boi biging trap a baik. Unu ney tak wan wortu, a boi trap go doro. Un mus go doro ete, so wan tien efu moro. Unu pesa, Nieuw Meerzorg (Jakopu) dan Constatia. Di un pesa Constantia wa bun moi pisi dan un kot wan pasi na links na liba sey. A presi ben lai nanga manyabon, wa lo owru oso de drape fu lanti, wan skowtu post. Na liba sey yu ey feni wan sortu presi pe den skowtu habi den boto drape. En moro fa na liba kanti na yu kruktu anu drape a steiger de. En moro fara drape yu habi wan polikliniek. Yu unu konu miti wan skowtu man drape, dan a boi aksi efu datra de. A man taki dati dat datra no kon tide,  ma tra wiki fosi. "San pesa eigenlijk?" a skowtu aksi. dan a boi taigi a skowtu dat per ongeluk en sut mi. Ooktu di skowtu aksi mi fa du mi tyis a lai, mi verteri en dat per ongeluk a lai tyis mi. Now skowtu tak dat a boto fu foto ow kon so, kande oppie fu Alliance de na boto ooktu. Un wakti tap a boto. Un waka go na steiger, wakti a boto. Later baka, un yere a machine fu a rivierboot. Tapoeripa, a snel boto fu SMS. Meneer skowtu de tap a steiger ooktu, a go tek post en a verteri oppie tak wan wroko de. Di mi go na ini a boto en a boi bai karta dyi unu, mi tak eve nanga oppie. Baka dati mi duik go tybri, bika mi syi mi pa de ini a boto ooktu. So wi go nanga a rivierboot na Alliance. Fu Commewijne liba unu go na ini Matapicakriki en no so langa moro Alliance de na un fesi. Libi sma ben lai tapu a steiger drape. Fa mi saka fu a boto nyunsu panya keba. A oppasser taigi mi mek mi bigin go na poli en ow kon dalek. A no so langa baka dati oppi kon dan a opo a doro fu a kliniek. Mi syi wa bigi kru boi nanga wentye waka kon. A boi mi de na fes pagina fu a kranti. Ya ya, mofo koranti. Di mi didon tap a tafra en mi tyisi mi nai keba oppi bigin koti buba nanga wan pisi meti fu puru windbuks lai. Mi syi den wentye nanga den boi fa den sutu den hede so baka a grasi fensre fu tek wan hai na tapu a vijf en halve milimeter loto.

 

Mas Janur (19 april 2005)

 

VERHALEN VAN PLANTAGE TIJD (eind jaren '60/'70)

 

(05-12-04, 06-12-04)

 

Op school had je een stelletje sadisten die ons met het bordliniaal had gezweept of met een eindje parwa stok. Soms kreeg je een bordwisser op je vette hoofdhaar dat met grote zorg door moeder ingeolied werd met het tijdrovende zelfgemaakte kokosolie om daarna liefdevol gekamd te worden tot een glimmend zwarte mooie kuifje. Of dat gehate pak op je broek, omdat je met ongeknipte nagels op school verscheen omdat oma toen je bij haar was die weekend druk bezig was met de schaar om kruidnagelen te knippen voor haar kretek sigaretje. Pak slaag om de één of andere ongegronde reden. Of met de handen in de lucht voor de klas, om iedereen te laten zien dat je tot op zekere hoogte vogelvrij was. Van de hoofdmeester, van de vent zonder hoofd zou ik liever zeggen werd je gestraft door onder de vlaggenmast te moeten staan omdat je te mondig was. Dat was puur kindermishandeling maar niemand van de ouders durfde dat tegen de meester of de juf te zeggen. Totdat een vader van één van de jongens van een hogere klas naar school ging om met de meester een zaakje te regelen. Reden was dat de jongen te laat op school kwam en hij bij de meester moest komen. Hij kreeg een flinke pak slaag en was daarmee niet tevreden natuurlijk. Toen de meester even niet keek pakte hij het bordliniaal en sloeg zo hard hij kon een paar keren op het hoofd van zijn beul. Hij was gewoon de klas uitgerend en was nooit meer op school gekomen. Echt nooit meer, tenminste niet in onze dorp. Wat zou je denken, die jongen was elf jaar oud. waar hij nu is weet ik niet. De jongen stond elke ochtend heel vroeg op om de koeien te helpen melken, maar hij moest ook de melk rondbrengen. Wel dezelfde dag kwam de vader en heeft de meester een flinke pak rammel gegeven.

 

Vlak na school als je ruzie kreeg moest je wel flink kunnen rennen. Mijn neef Rudy had de pech gehad om voor een oudere jongen in de klas te zitten. Ko, zullen we hem maar noemen had de gewoonte te copiëren. Of hadden ze het woord kupeer niet van copieëren overgenomen. Dus kortweg afkijken. Als Rudy bezig was met zijn werk moest hij even zijn elleboog naar zich toe trekken om Ko de vrije ruimte te geven om het nodige te kunnen overschrijven, zeg maar om de kupeer de vrije toegang te geven tot zijn kupeer werk. Wat een lef zeg, zou je zeggen. Ja, Ko was toen veertien, heel groot en had stevige handen van het tjappen en wieden. Rudy was elf. Ik weet niet of Rudy in het begin wat djadjan van hem kreeg of dat hij bang van hem was. Het werk van de kupeer duurde heel erg lang. Tot op zekere dag Rudy plotseling opstond en hem recht op zijn voorhoofd een vuistslag gaf. De juf schrok zodanig van de gil van Ko dat ze voor het schoolbord bijna achterover viel. Wat er daarna kwam, beiden moesten maar eens uitleggen wat er precies aan de hand was. Ko kreeg voor het afkijken een strafwerk en Rudy voor het slaan ook strafwerk. Maar zo erg was dat niet, maar wat er daarna volgde, dat was het. Het woord na school kwam te vallen, maar natuurlijk in hun eigen moederstaal. Maar als je zoiets hoort moet je wel op je hoede zijn. Na school gaf Rudy zijn tas aan zijn broertje met de boodschap dat hij maar eerst vooruit moest lopen. "Wat er ook mocht gebeuren, wacht niet op mij als het kan begin weg te rennen". Wel, voorbij de brug bij de sluis toen Ko hem al stond op te wachten kwam Rudy rustig aanlopen. Ik zou niet weten, waaraan hij op dat moment had gedacht. Want plotseling gaf de kleine Rudy voor de tweede maal die dag een vuistslag recht op het voorhoofd van zijn tegenstander. Ko viel achterover en Rudy zette het meteen op een lopen. Ko moest even bijkomen van de plotselinge aanval van Rudy voordat hij hem achterna kon rennen. Rudy was al een heel eind weg. Wat hij hoorde was "kowe tak pateni liiii".

 

Rijs,reis of rais, waar die naam vandaan kwam zou ik niet weten. Op plantage hadden wij smalle weggetjes net genoeg voor een fiets of brommer vanuit twee richtingen. Dus tegenliggers moesten de ander voor laten gaan door opzij te gaan en op het gras te rijden. Of beiden moesten maar op het gras. Op die weg hadden wij veel gerijs. Van school gingen de jongens richting huis, maar het duurt wel meer dan een uur voordat ze thuis zijn. wat natuurlijk tot gevolg had dat moeders boos werden omdat er veel werk te doen was na school. De rijs werd van gesmolten lood gemaakt, In mijn tijd werd er veel vicks gekocht in het dorp. Dat kleine platte vicks blikjes was in trek want daar werd de lood ingegoten. Dat was het beste voor de 'sripsi' de rijs moet makkelijk over het zand glijden. Vaders misten vaak hun lood voor de laatste tien meters visnet want het verdween gesmolten in dat vicksblikje. Er werd gerijs en nog eens gerijs. Vooral op Dam Lor was het heel erg druk.

 

Als je op de fiets of lopend was en je kwam een oudere tegen dan moest je wel amit zeggen. Amit mbah, amit woh, amit mang amit bi'k. Uit beleefdheid natuurlijk. Dat hebben je ouders meegegeven. Zelfs onze hindustaanse en creoolse vrienden deden dat tegen onze opa's en oma's tegen onze vaders en moeders. Alle jongeren deden dat, het was nooit weg om te zeggen Omu mi pesa ya of tante mi pesa ya. baba mi pesa ya mai mi pesa ya. Respect voor ouderen. Wat je daarna hoorde was, ya boi of ya meisje waka bun ya. Voorzichtig op je fiets. Etcetera etcetera. Zij wensen je het beste, lief zijn voor jongeren en respect voor elkaar.

 

Vis was er in overvloed. Vis bij de telo, vis bij de gekookte banaan, vis bij de rijst er was overal vis. gezouten vis, gedroogde vis en iwak malem, gebakken vis massala vis, gestoofde vis. Vis van de zee, vis van de pang, zoetwater vis van de kreek voor je huis of een verdere kreek achterop. Volop vis. Vis op je sawa'h en zelfs vis op je erf wanneer het water van de sawah's overliep, Datra fisi, maka sriba, krobia, warappa, pataka, kwie kwie, iwak lele .Trapun, snoku, dagu boi, harder, liba kwie, kuma kuma, kati en alle soorten vis. We waren gezegend met vis maar we wilden meer dan dat. Wij eten tegenwoordig dode vis en geen gedode vis.

 

..dongengan..

 

 

KABUR NING ANGIN

Jam setenga telu....

 

Srengenge panas banget. Dalane mbludug, sing mlaku kangelan sepatune nyorak nyaruk. Manungsane karo kewane ora ana sing pada ketok. Menawa kabeh pada leren. Ning nduwur, duwur banget sampek cilik gagak gagak iku pada ubeng ubengan nyuluh golek pangan. Panggonanku isik adoh, menawa ya eneng limang kilometer maneh. Meh tekan lasper. Orak eneng angin, ora eneng mega apa liyane sing ngewenehi yup yupan sing bisa angeyupi aku. Jarene manungsa pintere mung nggresula. Omonge nek udan, udan wae, dalane mbletok... nek panas panasen. Aku iki ya mung manungsa. La kepriye maneh wong ya panas kaya ngono. Napine padange langit iku marahi wong wongane sing sangka negara kene terus sak iki manggon ning negara londo, nduwe iku luh, kepinginan. Kepingin ngicipi panas apa undané sing tak omonghake ning kéné iki. Ya kepingin mule kongkon mbayar pira waé ta, bakal di lakoni. Mulakne pada di peres karo sing duwe kapal mabur. Menawa wus pada lali panas kaya ngéné iki. Sembarang iku, lekasé isuk mruput. Langité isik peteng banget, lah wong ya pancen isik jam papat isuk. Iku mau aku ya sak-jané golèk nunutan. Aku isik ngadeg ana ngisor cagak listrik. Ndelok jam.. Montor rosa, montor ‘four wheel drive’nglancangi aku. Wonge sing nglakokne weruh aku. Ya tunggal sak dalan. Ma napi kok gelis wae, garek dimar mburi sing ketok. Abang, adoh terus ilang. Durung suwe maneh, asu njegoki aku. Jegok nyander nyander arep nyatek. Aku cepet, tak dupak. Modar cocotmu apa ora, iku ning batinanku. Asu kaing kaing mlayu lunga. Lyane ora wani mara terusan. Aku banjur mandeg, nyulet rokok. Jago, mbo sangka endi wae pada kluruk. Aku njangka terus karo ngrungokhake jago jago mau. Rodok suwe lya enggon maneh asu jegok, napine ora wani mara. Menawa sing nduwe ndarani eneng maling liwat. Menawa mandak kemulan. La wong isik peteng. Iku pikiranku..... Aku mlaku terus. Manuk butah butah krungu aku mara banjur miber sangka lemah. Pikiran akeh. Oh ya, menawa bisa kaleksanan nek aku ora wedi kerja. Mulakne aku mruput, men ora kelatan. Arep ning kantore Lanti. Aku weruh ning omah dimar di urupne. Sapi mbenguh ning kandang. Aku mlaku terus. Jame gelise ta. Aku sing mlaku menawa wus eneng sak jam kliwat. Ning enggokan dalan kono ayang ayangku di gambarhake ning godonge wit witan. Brommer papat nglancangi aku. Sing siji di tunggangi wong telu. Wong siji mau mencolot songko brommer iku. Ora suwe maneh aku weruh omah sekautan. Ning ngarepe kira kira ana sepuluh meter kono iku dalan gedih. Ana piringan tulisane 30 KM. Namung oleh nglakokhake telung puluh kilometer bantere. Syafer syafer sing liwat dalan kono iku akeh sing nglakokhake kliwat bantere. Apa pada ora weruh ya? Ning sebelah wetan langite rodok padang sak itik. Sukete pinggir dalan akeh bune. Apik ning mripat leh nyawang. Aku ngabra dalane ngarep sekautan mau. Rodok adoh maneh iku parkerane montor montor bus. Ya wus kaya stasiun wae. Kana wong wus pada pirang pirang. Sak akehe wong kaya ngono mau, kabeh pada nduwe jalaran. Kepriye jalarane? Bus! Aku ngadeg ning kana. Mluya mlayu setrei (balapan) sapa sing gelis. Sapa sing mara elek atine. Ping siji ping loro. Ya men wong liyane. Aku mbrobos. Eh oleh enggon ning njeruh bus. Bungah atiku. Ana jagongan ning buri dewe. Iku oleh sing jenenge soulbus. Bocah sekolah, bocah nom jane seneng luh karo kaya ngono iku. Ya pancen aku nek isuk mruput aku ora gelem nek kupingku di kerjani kaya ngono iku. Wah jagongan cupet banget. Kabeh pada ndesel ndesel. Eneng wong wedok mar bokonge karo krosi loro. Dewekne jèjèr wong wedok loro pisan, krosine rodok adoh pisan. Melasne aku, karo wonge. Jepange jalan. Pinggir dalan wonge akeh banget. Karo isik ana sing mlaku songko dalan santi sing njedul ana dam sing di liwati bus. Dalane sing di liwat bus iki menawa eneng rongpuluh kilometer isikan. Dalane nek arep ning kota iki mau. Kabeh mau pancen saben dina kaya ngono. Jam ilang, jam orak kanggo. Kapan ta awake dewe iki bisa ngguwang kaya ngono iku mau. Kapan ta, kapan ta? Sapa sing bisa nata!

 

Ning panasan mau kringete kaya wong adus. Ngelak aku, gorokanku garing. Oh ya kok kepingin mgombe, ombenan sof  kae. Napine banyu ya apik barang. Ora usah mile mile. Aku mlaku terus, amerga dalane ora bakal mara cendek dewe. Jangka kerep kerep. Ning mburiku aku krungu unine montor. Aku noleh. Montor Merkan nggawe bledug ning dalan santi mau. Aku mlumpad ning suketan. Dalan ora jembar, menawa eneng kae telung meter.

 

Kantor kantor.... ya aku ngadeg ngenteni. Jenengku kok durung di celuk. Bar mrene di kongkon mrana. Wong kabeh mestine ya wus tau kenal karo kaya mangkono mau. Wayah leren, sing leren di olor olor, sampek leh ngenteni kudu nangis. Njaluk apa ta? Apa njaluk sogok? Aku ora nduwe arep nyogok kepriye, wasi nduwe aku ya ma! Njaluk kertas kok angele kaya ngene. Maling, maling asem kepriye ning negara bisa urip mulya. Tapi aku leh ngomong ora banter, meh ora krungu. Jajal wonge leh kerja kono krungu kowe. Kowe ora bakal direwangi maneh. Wong males, sogokan, bala balahan, ndelok rupa! Pisan maneh ana montor banter mbledugi. Wedine tiba ning awaku sing kringeten mau. Suk minggu ngarep. Suk minggu ngarep bali maneh. Asem, asem kepriye uripe wong bisa mlaku apik. Jam-mu leh kerja, pirang jam? Maneh dina ilang. Dinaku dewe, dinane wong wong liyane. Mbuh pirang minggu, mbuh pirang sasi? Minggu ngarep sembarang di lekasi maneh. Sembarang, sembarang di lakoni maneh. Atiku kemropok. Aku ora krungu montor pikup sing muni pating kriuk. Ujuk ujuk aku weruh sirahe wong sing rodok kuru metu sak itik sangka cendelane montor mau. “ayuk, mencolot kana ning mburi”. Bungah aku. Ning kabin, wong wedok lemu njagong jejer bocah wedok. Ning mburi, ning bakine wong telu lanang pada ngadeg cekelan setang. Aku ora kenal sak siji sijine wong iku mau. Tak bagekhake. Wong wong pada mbagekne genten. Pikupe terus mlaku. Aku cekelan setang. Dalane akeh jeglongane, montore muni kriak kriuk. Awake dewe montang manting. Aku ndelokhake wit witan, ndelokhake sampu. Panase nggawe pikiran sembarang. “Mongsok manungsa iku perlu oleh barang ala gedih sikik sak durunge ngerti wong iku anggone urip perlu bebarengan?

 

LASI INI A WINTI

 

Half dri,

A son faya fu tru. A santi pasi no ey mek mi waka makriki na en tapu. So mi susu ey opo a santi go a luktu. Libi suma nanga fo futu libi no ey sori en srefi. Kande den rostu, den habi siësta. Na luktu sey, bun hee tak ay sori ne leki wan ptjing toti toti sani tingifowru ey sirkel nomo nomo ey suku en nyanyang. Mi tan pe a de fara ete, a sa de so wan fefi kilometer moro fara. A no de so fara fu na einde fu a pasi. No wan winti ey wai, no wan wolku no de, noti no de san ey gi mi skaduw. Libi suma sabi soso klaag. Te aling kon dan we ey taki “soso aling man, a pasi ey toko toko. Drey ten da wi ey taki a son ey pepre mi. Ah ya, mi na libi suma. San mi sa du? Fu tru a son ey piri en tifi. Ma a switi blauw fu a luktu meki den suma san ben gebore dyaso di now libi na ini bakra kondre, tyisi a kari. A kari fu de ini a kondre pe den kumba tey beri fu tesi a faya son noso na aling san mi ey taki dyaso na fesi. Fu de baka na ini a kondre, a wansi o meni moni den musu fu saka den sa pai en. So dat meki de Maatschappij san ey frey den ey misbroiki den yari nanga yari langa. Ma kande den fergiti a faya son ne leki a dey disi. Den sani begin ini a fruku mantin, so wan fo yuru a mamanten. Luktu sey ben dungru ete. Fa a de drape na wan fasi mi ey suku fa suma kan tya mi go na fes sey. Mi ben tenapu drape ondro wan elektris paal. Mi ey luku na yuru tap mi holoisi. Wan tranga wagi ey pesa mi, wan four wheel drive. Syafeur syi mi. Un libi na a sref’pasi. Ma snel snel mi syi a baka lait fu na wagi fu na wan bun afstand keba. Dan a redi fu a lait gwe. No langa moro dagu bari, a habin nanga mi. A dagu bari, a bari bun agressif en a suku fu beti mi. No wan wer weri, mi dyi en wan bun skopu. Dede yu beest, mi prakseri. A dagu lung gwe nanga meki bari di a firi a hati. A trawan frede fu kon tek mi now. Mi tan knapu, fu leti wan sigaret. Fu ala sey mi yere kaka ey bari. Mi pusu go doro en a pasi nanga arki den kaka. Moro fara drape dagu ey bari ooktu, ma den frede fu kon. A eigenaar sa denki dat wan fefuruma ey waka ini a birti. Kande a sa tapu en skin moro nanga deken, bikasi a dungru ete. So mi ben prakseri..... Mi waka go doro. Wan buta buta frey gwe fu a gron di a yere mi waka kon. Furu prakseri de na ini mi hede. Ai if a waka bun, if mi no frede fu du wroko. Fu date de mi de so fruku ini a pasi, fu meki mi no doro lati na a presi. Mi wani go na lanti kantoro. Ini wan oso mi syi wan lampu ey leti. Wa kaw ey bari ini wan stal. Mi waka go doro. A yuru waka snel man. Wan yuru langa mi de tap a pasi disi keba. Drape lampu ey schijn mi schaduw tapu den bon. Fo brommer pesa mi. Wan fu den brommer, dri suma sidon nen tapu. Wan fu den man jompo komopo fu na brommer. A no so langa moro mi syi a skowtu post. Kande a bigi pasi de so wan tien meter fes a post. Drape wan bord de san skrifi nanga 30 KM. Drape yu mag ey rij dertig kilometer nomo. Bun furu syafeur ey pesa drape moro ne leki fa a mag. Den syi a sani? Na sey pe a son opo kon a luktu begin krin ptying so. Den grasi na mi sey lai nanga dow. Luku fa switi fu luku. Mi habra na pasi fes a skowtu post. Moro fara drape den bus ey parker. A jersi wan station. Suma lai keba. Den suma san de drape alamala habi wan dul. En san na a dul? Wel, fu tek a bus! Mi tenapu drape. Lun, strey suma moro esi. Suma hati moro takru. Wan leysi, tu leysi. Mi na trobi nanga trawan. Mi feni wan boro. Ai mi feni wan presi ini a bus. Mi breyti. Mi feni wan sidon presi ten a bakasey. Mi sidon ini wan soulbus. Sekoro ptying nanga den yongu wan lobi den sort sani dati. Nomo mi no wani taki ini a fruku mantin den boksu pompu mi yesi nanga tranga poku. Wel, yu sidon so krap keba. Ala suma ey pusu kon. Wan uma kon sidon prati en bakasey dyi tu sturu. Ing de na mindri fu tu tra uma sma en den sturu de ptying so fara fu a trawan. A no wan sani fu lafu, mi sari a frow. A Japang begin lolo. Sey a pasi suma lai.Yu ey syi ooktu trawan ey waka kon fu na santi pasi san kon miti a bigi disi. A pasi disi pe a bus ey rij de moro leki twenti kilometer ete befo wi doro a presi. Befo wi doro na foto. Disi na ala dey tori. Las ten, yuru san wi ey lasi fu soso. Oteng wi sa libi den sani disi na un baka. Oteng, oteng? Suma kan regel a tori disi.

 

Ini a faya son, mi nati nanga sweti. Mi lustu dringi, mi neki drey. Mi lostu dringi, mi lostu soft. Ma watra sa du mi bun ooktu. Mi nafu fu tyisi san mi wani. Mi waka doro, bika a pasi no sa kon moro syatu te mi no ey waka go doro. Mi waka saf safri. Na mi baka mi yere wan oto ey kon. Wan Amerkan wagi wai a stof fu a pasi go na luktu. Mi go tenapu na grasi sey a pasi. A pasi no bradi so a sa de so wan dri meter.

 

Kantoro, kantoro… Ai mi tenapu ey wakti. Den no kari mi neng ete. Fu dat den seni mi kon dis sey. Mi denki dat un sabi den sortu tori dati. Pauze doro, so wan pauze den teki tak bijna a kan meki yu krey. San den wani? Den wani wan tyuku? Mi no habi noti san mi mus dyi? Ma a wansi mi habi mi no bi ow dyi noti. Fu wan papiera a no de makriki yere. Fefuruman, fefuruman, fa a kondre kan go na fesi. Mi taki nanga mi srefi, bijna yu no man yere. Mek den suma san ey wroko drape yere yu. Den no sa yepi yu moro. Lesi man, tyuku, mati fasi den luku, den luku fesi!

Ete wan oso pesa, a stof wai. A stof fadon tap mi skin sa nati nanga sweti. Tra wiki. Tra wiki mi musu kon baka. Mi egi yuru a winti disi tya gwe so. Ai yongu mi klaag, ai fa libi kan waka bun. Yu wroko yuru, o langa yu wroko? Ete wan dey gwe. Mi eygi dey, ooktu den dey fu den tra suma. O meni wiki moro, o meni mung moro? Tra wiki ala sani ow bigin baka. Ala sani, ne lek a dey fu tide. Mi hati faya. Mi no yere a bari san wan pick-up meki a mi baka. Ini wani pingi fu mi hai mi syi wan man pusu en mangri fesi kemopo en kabin. Kon jompo go ini a baki. A no spot breyti mi breyti. Na fes sey pe a syafeur de wan fatu frow sidon sey wan yongu wintye. Tap a baki dri man ey tenapu drape hori a stang. Mi no sabi no wan fu den. Mi taigi den odi. Den dyi mi odi baka. A pick up rij now. Mi hori a stang, A pasi lai olo taki a oto meki bari. Ono tapu na baki ey go mee nanga fasi fa pasi de. Mi luku den bon, mi luku a swapu drape a sey pasi. A faya son mek mi prakseri wan luh frak. “San libi suma musu fu ondrofeni. Musu wi kon miti wan takru ten befo wi man libi bun nanga makandra?

 

..verhaal..

 

VERLOREN IN DE WIND

 

Half drie...

De zon schijnt erg fel. Het was niet gemakkelijk lopen over de zandweg. Mijn schoenen lieten het fijne zand opstuiven. Mens en dier leken hun siësta niet te willen missen. Heel hoog in de lucht cirkelden aasgieren. Ze waren op zoek naar voedsel. Mijn verblijfplaats lag nog ver weg, zo’n kilometer of vijf. Bijna aan het eind van de weg. Er was geen wind en er waren ook geen wolken die mij schaduw en verkoeling gaf. De mens heeft altijd iets om over te klagen. Als het regende, dan was het de regen die hen het moeilijk maakte. De modderige weg. Als de zon scheen dan was de zon te fel. Ik ben maar een mens. Wat moest ik dan, de zon was ook werkelijk op zijn felst. Alleen de blauwe lucht liet de mensen van hier die nu in het kikkerlandje wonen, een gevoel van heimwee krijgen. Ze willen wederom hun jaargetijden van vroeger voelen. Ze willen ‘thuis’ zijn, hoe duur de reis ook is. Ze hebben het er wel voor over. Daarom zijn ze jaar in jaar uit door de vliegmaatschappijen uitgezogen. Misschien zijn ze de hitte, die ik nu voel al vergeten.

 

Alles begon in alle vroegte. De hemel was nog heel donker; het was vier uur in de ochtend. Ik keek op mijn horloge. Precies onder een lantaarnpaal. Ik zocht een lift naar de hoofdweg. Een krachtige terreinwagen, een four wheel drive, kwam aanrijden. De bestuurder zag mij. Iemand van dezelfde weg als ik. Maar al snel zag ik de achterlichten van de pick-up heel ver van mij af om tenslotte om een bochtje te verdwijnen. Niet lang daarna blafte een hond naar mij. Het agressieve beest was van plan mij te bijten. Ik was sneller dan hem en gaf een trap. “ Hier pak aan, rothond, ”murmelde ik. Ik raakte zijn snuit waarna deze jankend wegrende. Er was ook nog een andere hond. Maar deze durfde mij niet te naderen. Ik bleef even staan en stak een sigaret op. Overal vandaan begonnen er hanen te kraaien. Een heerlijk gevoel gaf dat. Ik vervolgde mijn stappen, terwijl ik luisterde naar het kraaien van de hanen in de buurt. Een poos later, ik had al een flink eind gelopen toen er weer honden begonnen te blaffen. Maar daar bleef het bij. Ik begon te verzinnen dat de baas dacht dat er een boef langs kwam en dat hij de deken naar zich toe trok. Ik liep verder. Een buta buta vloog van de grond op toen hij mij zag aankomen.

 

Wat een zorgen...

Misschien zal het toch gaan als ik niet bang ben om de handen uit de mouwen te steken. Vandaar dat ik in alle vroegte op pad was. Ik wilde niet te laat zijn bij dat overheidskantoor. In een huis gingen de lichten aan. In een stal loeide een koe. Wat gaat de tijd snel, ik heb al meer dan uur gelopen. Op een bochtje zag ik mijn schaduw tegen de bladeren van de bomen langs de weg geprojekteerd worden. Vier brommers passeerden. Op één van de brommers zaten drie jongen. Eén van hen sprong eraf. Een politiepost lag vlakbij. Voor het gebouw liep een autoweg. Daar mocht je maar dertig rijden. Met het verkeersbord 30 KM stond dit aangegeven. Zagen sommige automobilisten dat niet ? Er werd vaak harder gereden. In het oosten begon het wat licht te worden. Het zilverkleurige morgendauw op het gras langs de weg streelde mijn ogen. Ik stak de weg over. Op de parkeerplaats was het al druk. Al die mensen daar, ze hadden allemaal iets met elkaar gemeen. De bus! Ik ging er ook staan. Om mee te doen aan de race van wie het snelst en wie de gemeenst is’. Steeds opnieuw. Waarom zou je met anderen rekening moeten houden. Dit is overleven man ! Ik zag mijn kans en wrong me naar binnen. De chauffeur kreeg zijn geld. Achterin was plaats. Het was een ‘soulbus’. Scholieren en andere jongeren zaten graag in deze bussen. Niet dat ik te oud ben tegen luide muziek en daar niet tegen kon; Voor mij was het gewoon te vroeg om het gedreun te moeten aanhoren. Je zat al krap in de bus en enkele mensen probeerden nog mee te gaan. Een vrouw verdeelde haar achterste over twee stoelen en wel naast twee andere vrouwen. De stoelen waren net een beetje te ver van elkaar verwijderd. Ik had medelijden met haar. De Japanner vertrok. Langs de weg stonden nog heel wat mensen op een bus te wachten. Van de zijwegen kwamen er nog steeds mensen aanstromen.

De autoweg die naar de stad leidde was ongeveer een kilometer of twintig lang. Het was elke dag toch weer datzelfde tafereel. Wie zal dit weten te veranderen ? Verloren uren, onbenutte uren. Wanneer zullen wij dit inzien, dacht ik. Wanneer eigenlijk, wanneer ? Ik liep over de weg te zweten. Ik had dorst, ik liep met een droge keel. Een sprankelend drankje lustte ik wel. Maar water, een groot glas water zou lekker zijn ! Ik liep verder, want de weg werd toch niet vanzelf korter. Maar ik liep langzamer. Achter mij hoorde ik een auto aankomen. Ik keek om en zag een Amerikaan veel stof doen opwaaien. Ik ging op het gras staan. De weg was niet breder dan drie meter.

 

Ik stond weer voor het loket. Mijn naam is nog niet eens afgeroepen. Net nog van het kastje naar de muur gestuurd. Wij kennen dat wel. Niet ? Ze hadden pauze. Zo’n langgerekte pauze die je hulpeloos maakte. Wat willen ze eigenlijk ? Moet ik iets onder tafel schuiven ? Ik ben niet rijk. Al was dat wel het geval, dan toch zou ik het niet willen. Dief dief, verdorie hoe kunnen we op deze manier het land tot welvaart brengen. Ik zei dat in mezelf. Niemand mocht dat horen. O wee, als ze dat horen kregen. Dan is het met je afgelopen. Nooit meer word je geholpen. Dan hebben ze al een poster van je. Luie mensen. Vriendjes gedoe, names and faces.

 

Weer een auto die snel voorbij reed, met stofwolken achter zich. Het stof viel over mijn bezwete lichaam. Volgende week, volgende week moet ik weer terugkomen. Mijn uren weggevaagd door deze wind. Ik begon te klagen, zo ziet het er erg uitzichtloos uit. Hoeveel uren per dag werken ze hier ? Weer een dag verloren. Mijn dag, maar die van anderen ook. Hoeveel weken nog ? Hoeveel maanden nog? Volgende week wordt alles weer herhaald.

 

Alles wordt vanaf het begin herhaald. Het maakte mij erg kwaad, maar ik was machteloos. Ik hoorde het gepiep en gekraak van een pick-up niet. Voordat ik het wist zag ik een magere man zijn hoofd uit de cabine steken. “Kom, spring maar achterin, ” zei hij. Ik was blij met dit aanbod. In de cabine zat een dikke vrouw naast een meisje. Op de laadbak stonden drie mannen met hun handen op de stangen de pick-up. Ik kende geen van de mannen. Ik groette hen en zij groeten terug. De pick-up bewoog en ik hield de stang goed vast. Er zaten veel gaten in de weg en de pick-up kraakte en piepte. Wij werden heen en weer geschud. Ik keek naar de bomen en dan naar de zwampen langs de weg. De hitte liet je gedachten afdwalen.

 

Moeten mensen iets zwaars ondervinden een ramp tegenkomen voordat wij weten dat wij elkaar nodig hebben? Was het wel nodig al die verloren uren ? Tijd ?

 

 

©April 1995 Hoogezand, Nederland Mas Janur.

 

SemutcetetFilmpjesFoto'sIslamVerhalenGedichtenLinks
www.semutcetet.com